19 mrt 2009
Een gat naast mijn gat
He prepared a bubble bath in the sink for the crockery, glass, and silverware, and with infinite care lowered the aquamarine bowl into the tepid foam. Its resonant flint glass emitted a sound full of muffled mellowness as it settled down to soak. He rinsed the amber goblets and the silverware under the tap, and submerged them in the same foam. Then he fished out the knives, forks, and spoons, rinsed them, and began to wipe them. He worked very slowly, with a certain vagueness of manner that might have been taken for a mist of abstraction in a less methodical man. He gathered the wiped spoons into a posy, placed them in a pitcher which he had washed but not dried, and then took them out one by one and wiped them all over again. He groped under the bubbles, around the goblets, and under the melodious bowl, for any piece of forgotten silver–and retrieved a nutcracker. Fastidious Pnin rinsed it, and was wiping it, when the leggy thing somehow slipped out of the towel and fell like a man from a roof. He almost caught it–his fingertips actually came into contact with it in mid-air, but this only helped to propel it into the treasure-concealing foam of the sink, where an excruciating crack of broken glass followed upon the plunge.
From Nabokov – Pnin. (Dank aan Michel voor de tekst, toevallig een paar weken geleden achter zitten zoeken. Toeval? Toeval bestaat niet zeggen ze.)
*
* *
Enfin, uiteindelijk komt het allemaal goed bij Pnin, bij mij minder.
Vandaag was het kuisdag, dus heb ik ook de keuken een dweil gegeven (ja, om tien uur ‘s avonds -zot, maar ik wou het gedaan hebben zodat ik morgen eens lekker niets kan/mag doen).
In in de keuken staat op een kast een “bowl” – prachtig, mooi, jarenlang in bezit en koesteren, melkglas in roze met een een witte voet met snoep in.
Ik slier toch wel uit zeker?
Het ding valt op de grond in duizend stukken – en – toppunt van alles: ik val met mijn bil op een scherp stuk van die bowl. Bloeden als een rund, non-stop. Ik neem een handspiegel, ga op bed liggen en bekijk mijn achterwerk. Een snee juist naast mijn “spleet” dik in mijn bil, van drie centimeter lang en zeker een centimeter breed. Ik huil, niet om die snee, maar om de bowl. Onherstelbaar. Ondertussen lag het bloed overal, in de keuken, de badkamer, de wc…. door mijn broek heen.
Anyhow, ik moest dus genaaid worden. Ha! Letterlijk.
In Gent is dat dus fantastich. Je belt de wachtdienst op, ze verbinden je door met een dokter van wacht (woont toevallig twee straten verder, ik mocht onmiddellijk komen) twee spuitjes en vijf hechtigen. Ik heb niets moeten betalen.
Kijk, dan mag je nog zo kankeren over België. Dit is toch de max.
Als er iemand van jullie een bowl op de zolder of in de kelder heeft staan, geef een gil!

[...] was dus Opaline. Het was 50 jaar oud, zo oud al mijn ouders bij elkaar zijn. Ik heb het door de loop der tijden ooit eens in mijn handen [...]