Schreef ooit, bijna een halve eeuw geleden in ‘Brief aan mijn bank’:
“Als God zich opnieuw in de Levende Stof gevangen heeft, zal Hij als ezel terugkeren, hoogstens in staat een paar lettergrepen te formuleren, miskend en verguisd en geranseld, maar ik zal Hem begrijpen en meteen met Hem naar bed gaan, maar ik doe zwachtels om Zijn hoefjes, dat ik niet teveel schrammen krijg als Hij spartelt bij het klaarkomen.”
Verder schreef hij ook in ‘Brief Uit Het Huis Genaamd ‘Het Gras’:
“Ik moest vechten – met God en mensen zou ik worstelen, en ik zou overwinnen, zag ik nu. Neen, o neen, ik mocht nimmer de hoop opgeven dat ik eenmaal datgene zou schrijven wat geschreven moest worden, maar dat nog niemand, ooit, op schrift had gesteld: het boek, alweer, dat alle boeken overbodig zou maken, en na welks voltooiing geen enkele schrijver zich meer zou behoeven af te tobben, omdat gans het mensdom, ja zelfs de gehele, thans nog in haat en angst gekluisterde natuur, verlost zou zijn. Dan zouden de kinderen der mensen een zonsopgang zien als nimmer gezien was, en een muziek zou klinken, ruisend als van verre, die ik nooit gehoord had, en God zelf zou bij mij langs komen in de gedaante van een éénjarige, muisgrijze Ezel en voor de deur staan en aanbellen en zeggen: ‘Gerard, dat boek van je – weet je dat Ik bij sommige stukken gehuild heb?’
‘Mijn Heer en mijn God! Geloofd weze Uw Naam tot in alle Eeuwigheid! Ik houd zo verschrikkelijk veel van U,’ zou ik proberen te zeggen, maar halverwege zou ik al in janken uitbarsten, en Hem beginnen te kussen en naar binnen trekken, en na een geweldige klauterpartij om de trap naar het slaapkamertje op te komen, zou ik Hem drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening bezitten, en daarna een presenteksemplaar geven, niet gebrocheerd, maar gebonden – niet dat gierige en benauwde – met de opdracht: Voor de Oneindige. Zonder Woorden.”
Hij kreeg prompt half ‘weldenkend’ Nederland over zich heen en een rechtszaak aan zijn broek. Op 20 oktober 1966 dient de zaak voor de Amsterdamse rechtbank. Reve wordt verdedigd door mr. H.R. Eyl, terwijl het hoogtepunt in deze procesdag wordt gevormd door het prachtige requisitoir van de officier van Justitie, mr. J.J. Abspoel. Men komt tot een merkwaardige uitspraak: Reve wordt niet vrijgesproken van het ten laste gelegde, maar men ontslaat hem wel van verder rechtsvervolging. Zowel Reve als de officier van Justitie gaan in beroep.
Op 17 oktober 1967 dient de zaak voor het Amsterdamse Gerechtshof. Reve heeft besloten zichzelf te verdedigen, en hij doet dat middels een schitterend pleidooi, waarin hij voor het eerst dieper ingaat op zijn godsbeeld. Het pleidooi, die hij zelf voor de rechtbank bracht, eindigde Gerard Reve in het befaamde ‘Ezelproces’ zijn ‘Pleitrede voor het Hof‘ als volgt:
“Hiermede kom ik aan het einde van mijn pleidooi. Het is misschien voor het eerst in de Nederlandse rechtspraak, dat een verdacht iets requireert, maar het zij mij toegestaan. In deze zaak staat voor mij betrekkelijk weinig op het spel: wat last, wat drukte, wat opwinding, en de kans op een minuscule boete – gevangenisstraf zou wel sjiek zijn, maar mij lukt zoiets toch nooit – welke boete ik vermoedelijk voor de fiscus nog als kosten van verwerving van mijn bruto inkomen zou mogen aftrekken: ziedaar mijn risico’s. Deze zaak echter, klein en min of meer lachwekkend als zij moge schijnen, is van principieel belang voor de toekomst van de traditionele burgerlijke vrijheden. Daarom meen ik, als burger van de rechtsstaat die dit land nog steeds is, te mogen eisen dat U een vonnis zult vellen, dat, hoe het ook voor mij persoonlijk moge uitvallen, door de jurisprudentie die het schept, ertoe zal bijdragen dat deze wet, die in strijd is met de beginselen ener moderne rechtsstaat, en die koren op de molen is van de vijanden der vrijheid, terecht komt op de enige plaats waar zij thuisbehoort, en dat is: in de prullenmand.
Moge de Geest, die niet de wil van mensen gehoorzaamt, maar die waait waar hij Zelf wil, U bij het vellen van Uw vonnis leiden. Ik dank u.”
De Hoge Raad, het hoogste rechtscollege concludeert dat het cassatie-beroep niet ontvankelijk verklaard dient te worden, en spreekt Reve op 1 april 1968 – de zaak sleepte dus toen al ongeveer anderhalf jaar – volledig vrij.
Waarom Gerard Reve mijn held is? Need I say more? (Wel, er zijn nog andere redenen… maar dat is voor een andere keer.)