04 nov 2004
De kranten, gisteren
Ik weet niet of ik dit zomaar klakkeloos mag copiëren en of dat auteursrechterlijk toegelaten is, maar hier is het intergale s-c -h-i-t-t-e-r-e-n-d-e stukje van de hand van Walter Pauli, gisteren verschenen in De Morgen. Ik heb vier jaar in Amsterdam gewoond en dit stukje beschrijft precies wat ik, al die jaren dat ik er woonde, dacht. Vermits ik dat inderdaad allemaal allang zelf dacht, (maar blijkbaar niet de enige) wil ik de niet de imbeciel zijn die het nog even opschrijft en in de veronderstelling verkeer dat ik een uniek denkbeeld verwoordt. (En ook; omdat ik lui ben natuurlijk.) Plaats aan de meester, lees en huiver:
Met de moord op Theo van Gogh is Nederland definitief de titel kwijt van ‘het meest tolerante land ter wereld’. Nederland, en hoofdstad Amsterdam in het bijzonder, pakt nochtans graag uit met die reputatie. Ze beschouwen zich als het mekka van de Free Speech, de koffieshops, de toleranten, de homo’s. Nochtans eten Nederland en Amsterdam al enige tijd van twee Walletjes. De ooit rebelse koffieshops zijn haast geofficialiseerd, commerciële toeristische gidsen promoten de Amsterdamse rosse buurt. Er is weinig alternatiefs meer aan, laat staan rebels.
Er is nog altijd niet nauwkeurig de vinger op te leggen wanneer het beeld van Amsterdam als ‘hoofdstad van de tolerante wereld’ tot de geesten doordrong, een beeld dat tot vandaag wereldwijd ingeburgerd is. Het is een recente eretitel van een nieuwe maatschappij, want tot ver in de twintigste eeuw was Nederland een bijzonder calvinistisch land: streng in de leer, recht in de beoordeling van mensen en toestanden, ondanks vroege vrijdenkers als Spinoza, die er eeuwen terug al asiel vonden voor hun vrijdenkerij. Maar over het algemeen was genot er niet bij – de Nederlandse volkskeuken, hoewel fel verbeterd, is een koppige maar kenmerkende herinnering aan een land dat ‘lekker eten’ gelijkstelde aan platgekookte worteltjes, geprakte aardappelen, gesudderd vlees en smakeloze ‘jus’ – zeer terecht kon dat vleesvocht geen aanspraak maken op de benaming ‘saus’.
In de jaren vijftig was Amsterdam misschien wel een vrolijke havenstad, maar toch te noordelijk, te calvinistisch ook om hip te zijn. Als er ‘iets geks’ gebeurde, moest je op het infame Leidseplein zijn – de komiek-zanger ‘Dorus’ leverde er het meest gedurfde werk – of in de Jordaan, de Amsterdamse tegenhanger van de Brusselse Marollen: volks cafeetje, ruw volk met ruwe manieren, maar wel onburgerlijk. Dat maakte hen in zekere zin ‘alternatief’.
In de jaren zestig begon dat te keren. En nog wel door de happenings van langharig tuig, halfgeflipte jongeren als ‘rookmagiër’ Jan-Jasper Grootveldt. Het was een tijd die samenviel of voorafging aan studentenbetogingen van Leuven-Vlaams in België of mei ’68 in Frankijk. Maar terwijl in België het politieke bewustzijn de agenda beheerste, en in Frankrijk de bevlogenheid van de existentialisten, Jean-Paul Sartre voorop, die protestbeweging enige intellectuele allure gaf, was dat in Amsterdam anders. In Amsterdam zagen de Kabouter- en de Provo-beweging het licht, en die waren origineler, inventiever, soms radicaler, vaak spectaculairder, en altijd bloter (twee hippies náákt in het Vondelpark, oh la la) dan de rest van de wereld. En daarop fixeerde het buitenland zich. Als er toch een ijkdatum moet vooruitgeschoven worden als het begin van het magische Amsterdam, dan níét de start van provo, níét de rellen van het huwelijk van Beatrix en Claus, wél de inmiddels legendarische bed-in van John Lennon en Yoko Ono in het Hilton-hotel van Amsterdam in 1969, waar ze hun Epoche-machende slogan lanceerden: ‘Give Peace a Chance.’ Dat gebeurde weliswaar in de meest prestigieuze suite van een van de duurste hotels van Europa, maar dat gaf niet. Lennon en Yoko hielden immers geen ordinaire sit-in, maar de zinnenprikkelende overtreffende trap daarvan: de bed-in. Ze hulden zich, terwijl ze voortdurend de liefde leken te bedrijven, in maagdelijk witte gewaden. Ze hadden bangelijk lang haar, terwijl ze nochtans geruststellende teksten zongen over ‘Imagine’ en zo. Ze werden het icoon van alle alternativo’s ter wereld, die zich geen seconde vragen stelden over de zin van de meest astronomische hotelrekening van die jaren.
Zo was Amsterdam, toen al: mercantiel en ook hard, maar zich verkopend onder een dun maar zeer hardnekkig laagje van vrijheid en blijheid. Dat mercantiele karakter kan niet genoeg benadrukt worden: Nederland verkoopt en verhandelt, al van in de tijd dat het nog gewoon ‘Holland’ was, niet het minst zijn eigen tolerante imago.
Wie ogen in zijn kop had, of wie nadien de kroniek van de langharige jaren van destijds een beetje nauwkeurig wil nalezen, zag echter dat het beeld en de realiteit niet spoorden met elkaar. Hippies en provo’s leefden niet gelukzalig en geweldloos, wel integendeel. Misschien wel in landelijke communes in een uithoek van het provinciale West-Vlaanderen – al heeft die regio ab-so-luut geen imago uit de sixties – maar zeker niet in het stedelijke en bikkelharde Amsterdam – al doen ze daar tot vandaag zo hun best om de losgeslagen sfeer die stamt uit de hippie- en latere reggae-dagen zorgvuldig te conserveren, tot de zeer actuele vormen van ‘harde dance-discotheken’ toe. Ook dat is zogezegd provo.
Terwijl al in die jaren Amsterdam een ongewoon hard en gewelddadig oord was. Het is bijvoorbeeld een vandaag onbekend stukje geschiedenis dat al in die jaren de hippies en provo’s van Amsterdam een paar keer te duchten kregen van regelrechte pogroms. Die werden georganiseerd door groepjes zogeheten cs-jongeren – cs staat voor Centraal Station. Het ging om jongeren, even langharig als de echte provo’s, maar minder intellectueel, met een nadrukkelijke working class-achtergrond. Op sommige avonden maakten zij jacht op echte langharige provo’s, die zich cultureel situeerden rond de vrije universiteit van Amsterdam en bijbehorende intellectuele kringen, en die studenten en consorten werden flink afgetroefd. En niet veel later kregen die cs-jongeren navolging in bijzonder gewelddadige raids die uitgingen van jonge matrozen en mariniers. Met zijn honderden maakten ze in de binnenstad jacht op langharige alternativo’s. Trots noemden ze hun actie Schoon Schip, en ze kregen applaus van De Telegraaf ook. Als Amsterdam de hoofdstad is van de Free Speech, dan is het ook het wereldcentrum van de harde vervolging ervan. Anne Frank leefde in Amsterdam, en ze werd er ook vervolgd, en opgepakt, en weggeleid. Dat soort dualiteit. Amsterdam koketteert met het eerste, en veegt het tweede onder de mat.
Koketteren werd na een tijd commercialiseren. ‘Alternatief’ spoorde parallel aan vrije dit en dat, en viel na een tijd compleet samen met halfvrij drugsgebruik in semi-, later volledig getolereerde koffieshops.
Het werkt natuurlijk. Amsterdam is nog altijd een magneet voor de Vrije Vogels van overal ter wereld. Maar eenmaal in Amsterdam, liggen die zich met een joint laveloos te roken. Niet dat er níéts gebeurde, ook niet bij jongeren. De krakers kraken de beurs van speculanten in immobiliën, maar zorgden wel dat de reputatie van Amsterdam bleef staan als een huis. Leuvense studenten keken in de late jaren tachtig, vroege jaren negentig met bewondering naar Maarten van Poelvoorde, een charismatische studentenleider die zowel de opruiende roep van de straat als de diplomatische taal van de onderhandelingstafel beheerste – nu zetelt Van Poelvoorde voor Groen-Links in de Amsterdamse gemeenteraad.
Amsterdam teert dus voort op een reputatie die werd opgebouwd door een paar marginale jongeren, en uit acties van dat uitschot haalt de stad tot vandaag haar toeristische en dus commerciële waarde. Toch kunnen Amsterdam en Nederland moeilijk verhelen dat ze nauwelijks een tolerant parcours kunnen voorleggen, ook niet inzake multiculturaliteit. Al in de jaren zeventig waren er de gewelddaden met de Molukkers, trein- en schoolkapingen incluis. Die tegenstelling zette zich trouwens door tot in het hart van Oranje, Nederlands voetbalelftal, waar het samenleven tussen ‘witte’ en ‘zwarte’ jongens allesbehalve naturel verloopt. (In vergelijking daarmee gedragen onze Rode Duivels zich als lammetjes voor elkaar.) En dan was er het fenomeen-Fortuyn, die het tolerant samenleven expliciet ter discussie stelde (al was hij wel, als waardig erfgenaam van het partieel-tolerante Nederland, in allerlei darkrooms te vinden, en koketteerde hij daar zelfs mee). En nu is er de moord op Theo van Gogh, filmmaker, onruststoker, Fortuyn-adept, braniejoch, vrijspreker. Maar niks ‘Peace a Chance’ meer.
In vergelijking daarmee is het, ondanks het afschuwelijke succes van het Vlaams Blok, nog goed gesteld met België. Goed, we hebben al zogenoemde migrantenrellen gehad, in Vorst, in Anderlecht ook, en in Antwerpen na de moord op Mohammed Achrak. Maar ook die liggen al twee jaar achter ons. Ja, joodse jongeren werden in het Anwerpse lastig gevallen, maar de omvang van het etnisch geïnspireerde geweld in Groningen, waar ook al een dode viel, is hier nooit gebeurd.
In weerwil van de tolerante reputatie is Amsterdam een harde stad geworden, en Nederland een bikkelhard land. In veel opzichten. Terwijl in België de partijen discussiëren over het nut van de algemene regularisatie van uitgeprocedeerden, werkt Nederland aan een plan om uitgeprocedeerden bij de tienduizenden het land uit te wijzen, en over de grens te zetten. In België woedt nog een debat over de matiging van de lonen, in Nederland heeft de vakbond FNV zich daarbij al neergelegd. In Nederland laten radicale imams zich betrappen op afschuwelijke standpunten over homo’s en niet-gelovigen, in België hebben we die tot dusver nog niet, of slechts in zeer afgezwakte vorm.
Neen, dit is geen triomfalistisch stukje om te zeggen dat ‘wij’ eigenlijk beter zijn dan ‘zij’. Waren ze maar zo tolerant, zo voorbeeldig als wij (en zij) nog vaak denken. Een mens zou er weemoedig van worden, als hij straks Kris De Bruyne nog eens hoort. Toen De Bruyne in de vroege jaren zeventig voor het eerst zijn ‘Amsterdam’ zong, kende hij Theo van Gogh niet. En toch zong hij: “Je kan er naar Van Gogh gaan kijken / Dat zou je eigenlijk eens moeten doen.”
Van Gogh, ja. Vandaag staan de verzen van De Bruyne bol van heimwee aan een Amsterdam en een Nederland dat er misschien nooit geweest zijn, maar waarvan het imaginaire beeld ons zo dierbaar is. Het was wellicht altijd al een fictie, al beschouwden en beleefden lieden als Theo Van Gogh dat beeld als een realiteit.
In al zijn naïviteit zong De Bruyne, meer dan een kwarteeuw terug: “Wie van ons is vogelvrij/ Wie van ons die nog alles kan/ Zo dichtbij/ En toch zover/ Is Amsterdam.” Vrije vogels, vogelvrij, we zullen er maar geen goedkoop woordspelletje van maken. Ach ach toch.
Anne Frank woonde en leefde in Amsterdam, en ze werd er ook vervolgd. Dat soort dualiteit. Amsterdam koketteert met het eerste, en veegt het tweede onder de mat.
Wat een verschil met het ergerlijk gewauwel van Bart Sturtewagen die we gisteren in De Standaard geserveerd kregen!
